Argentinië: verdrinken in leegte

Scroll naar beneden

Bakermat van gauchos, wijngaarden en koloniale architectuur: Argentinië is een land waar geschiedenis, schoonheid en natuurgeweld naadloos in elkaar overgaan. In het noorden lonkt en verleidt Salta, in het zuiden koelen de gletsjers en ijsvelden van Patagonië je af.

Een waterzon kleurt de Lerma Valley, een vlakte in de voor de rest bergachtige noordwestelijke uithoek van Argentinië. In de tangohoofdstad Buenos Aires, waar ik eerder was en van vliegtuig wisselde, liep iedereen in t-shirt. Hier, na twee uur vliegen, dragen de luchthavenarbeiders een dikke jas. Lente of niet, de nachten zijn immer fris in Salta. Maar over enkele uren zal een woestijnhitte de dorre grond en droge lucht opwarmen met de verpletterende efficiëntie van een microgolfoven. Een verlaten zandweg leidt me naar The House of Jasmines, een ‘estancia de charme’ die als de beste accommodatie in Noordwest-Argentinië geboekstaafd staat. Deze bijna 140 jaar oude ranch was tot enkele jaren geleden eigendom van de Amerikaanse acteur Robert Duvall (denk aan The Godfather) en z’n Argentijnse echtgenote. Driehonderd hectare grond, amper tien kamers, een veelvoud aan paarden, een tuin met zwembad, daaromheen gemillimeterd gazon en een rist personeel dat het de gasten naar hun zin maakt: er zijn slechtere plaatsen op de wereld. Maître de maison Javier parkeert m’n Toyota-terreinwagen en leidt me rond in de spierwitte haciënda. Het kader is uniek. ‘The best thing one man can do for another is to share his dream’, staat er boven de open keuken geschilderd. “Een souvenirtje van Mister Duvall”, legt Javier uit. “Hij wist als geen ander de sfeer van dit huis te savoureren.” Wanneer de zon achter het Andes-gebergte duikt, wordt de barbecue heetgestookt. Een uitgelezen malbec-wijn escorteert de flink uit de kluiten gewassen steaks. De eerste gasten grijpen naar de klaarliggende fleecedekentjes of verdwijnen in de uitnodigend zachte zitbanken van de centrale salon, waar het haardvuur de gemoedelijkheid onderlijnt. Buiten neemt de lucht de kleur van m’n glas aan: dieprood. Twee majestueuze condors zweven geluidloos over de vlakte en wanneer de houtskool over z’n piek is, ruiken we de geuren van de talrijk aangeplante rozen, orchideeën en jasmijnen. 

Avontuur in de bergen 

Bij het ontbijt had Javier me het nog op het hart gedrukt: “Vandaag zal je alles onderschatten!” Een paar uur later geef ik hem al gelijk. De afstanden zijn groter, de gemiddelde snelheid lager dan verwacht, de landschappen nog mooier dan gedacht en de dorpjes authentieker dan je zou durven vermoeden. Het ging allemaal vlot vooruit zolang ik zuidelijk vorderde op Highway 68 – in de verste verte niet te vergelijken met wat de Amerikanen onder een highway verstaan, dit is een eenvoudige hoofdweg. Nu, op de provinciale route 33, een bergweg richting Cachi, zakt het tempo met rasse schreden. Daar zijn enerzijds trage minibusjes, grote trucks en overladen personenwagens verantwoordelijk voor. Anderzijds ligt het ook aan mezelf, omwille van de talrijke fotostops – Noordwest-Argentinië bestaat voor honderd procent uit dramatische landschappen – en de behoefte om een extra voormiddagkoffie te nuttigen. In sneltempo wijzigen de landschappen. Eerst passeer ik de Escoipe-canyon, waar megacactussen als soldaten de wacht houden. Dan ruil ik het asfalt voor een onverharde weg over de Obispo-pas en nevelwouden waar het steeds smallere parcours blijft klimmen tot ik 3620 meter hoog zit: La Piedra del Molino, een surreëel landschap van vruchtbare valleien en droge pieken. Daarna gaat het snel weer bergaf, vijftien kilometer kaarsrecht door de puna-grasvlaktes van het Nationaal Park Los Cardones, waar de honderden jaren oude cactussen alleen maar groter (tot acht meter zelfs) en talrijker worden. In Payogasta krijg ik opnieuw asfalt onder de wielen, en wanneer de zon op z’n hoogste punt staat, bol ik Cachi binnen. Dit kleine koloniale dorp huist in de Calchaqui-vallei aan de voet van de 6.320 meter hoge Nevado de Cachi. Geplaveide straten, huisjes opgetrokken in adobemuren en een rieten dak, amper één verdieping hoog… dit is een waar filmdecor. In restaurant ‘Nevado de Cachi’ ben ik net op tijd om een bife de lomo con papas fritas te bestellen, vierhonderd gram gegrild rundsvlees voor amper tien euro.

Na een intrigerende stadswandeling zoek ik opnieuw de koelte van de airco in m’n pick-up en stuur ik verder naar het zuiden. Na het verlaten van Los Molinos klimt de Toyota tot 2.380 meter. De thermometer piekt op 33 graden. 

De hoogste wijngaard van Argentinië 

Moegereden, en met meer stof dan vocht in m’n lijf, bereik ik in de late namiddag de bodega Colomé, m’n extravagante bed voor de nacht. Dit wijndomein, eigendom van de Zwitserse ondernemer Donald Hess en een van de hoogste ter wereld, is voor iedere epicurist een goede reden om de provincie Salta te bezoeken. Terwijl buiten van het ene moment op het andere de Zonda, een warme wind uit de Andes, lelijk huishoudt, heet de gastvrouw me in de haciënda welkom met een perfect gekoeld glaasje torrontés, een lokale fruitige witte wijn die naadloos past bij het droge klimaat en wat mij betreft even lekker is als een kwaliteitsvolle sauvignon blanc of chardonnay. Colomé zette zich recent niet alleen op de wereldkaart als stijlvol hotel, maar vooral als ‘high altitude’-wijnhuis. Donald Hess is met Colomé dan ook niet aan z’n proefstuk toe: hij kende al groot succes met zijn andere wijngaarden, verspreid over vier continenten, zoals in Californië (The Hess Collection), Zuid-Afrika (Glenn Carlou) en Australië (Peter Lehmann). De 76-jarige Hess, die fortuin maakte met een waterlabel dat hij in 2002 aan Coca-Cola verkocht, kocht Colomé in 1996 voor de ronde prijs van één miljoen dollar. Geen kip geloofde dat op deze hoogte en in deze droogte ooit een van de betere boetiekwijnen van het land geproduceerd zou worden. Dankzij enkele ingehuurde wijnmakers én dankzij druiven die met hun dikke schil de extreme temperaturen overwinnen, genereert Colomé vandaag de dag uit haar oude wijnranken één miljoen flessen full body-karakterwijnen. Het paradepaardje van het huis is een wijngaard die zich op 3.112 meter bevindt, een wereldprimeur. “We zijn nog in de experimentele fase. Want hoe hoger, hoe meer uv-licht, hoe sneller de druiven letterlijk verbranden. Anderzijds nemen de aroma’s toe, wat zwaardere doch elegante wijn voortbrengt”, zegt wijnmaker Thibaut. “Maar de eerste resultaten zijn zeer bevredigend”.

Naar het diepe zuiden 

Bij zonsopgang verlaat ik de bodega, rij de twintig kilometer lange privéweg tot de toegangspoort, draai in Molinos rechtsaf en druk het gaspedaal in richting San Carlos. Nu is het noordwesten op z’n fraaist, want grotendeels ongetemd. Elke stip op de kaart blijkt in werkelijkheid niet meer dan een café en enkele huizen, drie honden en enkele ingedutte bewoners, de naam dorp amper waardig. In Finca del Carmen, een herbestemde haciënda, stop ik voor lunch. Fajita’s met kip, ui en paprika voor enkele muntstukken, pils inbegrepen. Aan het eind van de langgerekte vallei, geklasseerd als highway 40 op de landkaart, begint de beschaving, het kunstmatige, bijna gemanicuurde Cafayate, geordende schoonheid, een verademing na het brutale landschap van de Calchaqui-vallei. De ‘dirty road’ is voorbij, er ligt terug asfalt onder m’n banden. En daar ben ik niet ongelukkig om. Highway 40 is een slecht onderhouden, smalle, bochtige weg waarbij je achteraf blij bent dat je het zonder lekke band gehaald hebt. Vooral de obstakels – scherpe stenen overal – zijn een pest. Soms ligt de gravel zo slecht, dat enige off road-ervaring meegenomen is. This was not a shopping trip! Een 4x4 mag dan het zwarte schaap van de ‘properder dan proper’-klimaatbrigade zijn – en je kan ze geen ongelijk geven wanneer dit stuk techniek alleen dient om over geasfalteerde wegen naar de supermarkt te rijden – maar hier is mijn tweetonner een waar werkinstrument. Het ding doet waar het voor gemaakt is. De airco heeft het wel begeven: zoveel stof geslikt dat wanneer ik ‘m aanzet het lijkt alsof ik een stofzuigerzak inslik. Ramen open dan maar. Cafayate is een typische regiohoofdstad maar ook een beetje wijnhoofdstad. Op de Plaza parkeer ik voor het terras van Café de las Viños voor een verdiend glaasje torrontés. Straathonden slaan me gade, evenals de drie slaperige agenten die hun tijd doden met sms’en. Na een verkwikkende douche in het hotel ga ik uit eten in El Terruño waar, zoals steeds, op het menu vooral grote steaks en gegrilde kip staat. Als afsluiter bezoek ik een klassieker: Helados Miranda, een artisanaal ijssalon waar ijs met wijnsmaak dé specialiteit is. Uitvergrote artikels uit Le Guide du Routard en Lonely Planet aan de etalage onderlijnen die status. Daarboven in koeien van letters: ‘Creador del helado de vino.’ Ik doe geduldig de rij, bestel één bol torrontés en één bol malbec (dé hit), proef… en besluit dat ik het liever in flessen lust. Het is eerder sorbet dan ijs; verrassend, zonder een absolute aanrader te zijn. Daarmee zouden we alle Italiaanse ijssalons grote oneer aandoen. 

Schoenpoetsers, generaals en heiligen 

’s Morgens drink ik koffie op het hoekterras tegenover het bankgebouw: zeker dertig mensen hebben zich er verzameld aan de ingang als het pand om stipt negen uur de deuren opent. Zelden zo’n discipline gezien. Niemand dringt, niemand probeert enkele plaatsen in de pikorde te winnen. Tijd om terug naar het noorden te rijden. Amper heb ik de agglomeratie van Cafayate verlaten, of ik beland in een totaal ander decor. Voor mij doemt een landschap op dat aan een Amerikaanse Wild West-film doet denken. Maar dan wel met een grandeur die je alleen hier, in de Andes, vindt. De met kopersulfaat gelardeerde rotsen steken schril af tegen de diepblauwe lucht of de zinderende vlaktes van het dampende beton in tegenlicht. Dit is het Argentijnse Monument Valley, rotsformaties waarin je met wat verbeelding kastelen, dieren, mensen en boten herkent. Een indrukwekkend decor op 1.700 meter hoogte dat supplementair omkaderd wordt door een wit duinengebied. Dan gaat het via gemoedelijke achterafweggetjes in één ruk tot Salta. Hoe dichter ik het koloniale stadje nader, hoe sterker ik geconfronteerd word met de moderne tijden: benzinestations, schreeuwerige reclameborden, grootwarenhuizen en verkeerslichten. Kleine files ook. Hoe meer ik het epicentrum van de rumoerige hoofdstad via de brede invalslaan inbol, hoe meer uitpuilende autogarages en stadsbussen. En dan eindelijk het oude koloniale hart, weliswaar met een modern sausje overdekt.

In de zestiende eeuw, tijdens de Spaanse overheersing, was in dit deel van Zuid-Amerika slechts een kleine buitenpost. Dé belangrijkste stad toen was een plaats aan de Andes, niet ver van de lucratieve zilvermijnen van Bolivië. Toen kwam het koloniale Salta, een regionale hoofdstad, tot bloei. Later nam die rijkdom terug af, maar de Argentijnen noemen de stad nog steeds Salta la Linda, het mooie Salta. Dat heeft alles te maken met de schat aan koloniale architectuur en de indrukwekkende erfenis van de Inca’s. Ik begin m’n tocht op de Plaza 9 de Julio, zo genoemd naar de Argentijnse Dag van de Onafhankelijkheid. Het plein dateert uit 1582, het jaar waarin de stad is gesticht. Ik bezoek het oudste gebouw, het glanzende witte Cabildo Historico. Dit was vroeger het stadhuis, nu een waardig onderkomen voor het historisch museum, waar portretten en religieuze kunstwerken uit de hoogdagen van het Spaanse koloniale rijk tentoongesteld worden. Vanop het houten balkon zie ik uit op de oude kathedraal uit 1882 die, zo leer ik later, een intact barok interieur heeft én de stoffelijke resten van een generaal, held van de onafhankelijkheid, bewaart. Het resultaat is dat er vrijwel onafgebroken missen worden opgedragen. Na elke dienst strijken de Salteños neer op een van de talrijke terrassen van het plein. Voor een koffie, een ijsje of een empanada terwijl de jongste spruit borstvoeding krijgt. Schoenpoetsers verdringen zich om toch maar een lederen stel klassiekers op de kop te tikken. ‘s Avonds beland ik in Casa Moderna, een aangeraden etablissement dat – in tegenstelling tot wat de naam doet vermoeden – een compleet vergeeld en afgeleefd rustiek interieur huisvest, een soort oversized kruidenierswinkel waar alleen voedingsspecialiteiten verkocht wordt. Aan een krakkemikkig tafeltje in een stoffig hoekje krijg ik een schitterende kaasschotel geserveerd. “Todo muy bien?” roept de ober. Hij krijgt een opgestoken duimpje retour.

Water en vuur 

Dat duimpje hef ik ook op het terras van hotel Eolo net buiten El Calafate, pakweg vierduizend kilometer zuidelijker. Het is laatnamiddag en een goudgele zon flirt met de pieken van de omliggende bergen. Deze luxueuze estancia, lid van de gerenommeerde Relais & Chateaux-keten, vormt mijn uitvalsbasis voor het korte tweede deel van deze reis. Amper zeventien kamers, maar veertig vierkante kilometer grondoppervlakte horen dit connaisseursadresje toe. Ik kijk uit op de grens van het Los Glaciares Nationaal Park, rondom geen spoor van menselijke bedrijvigheid, alleen vergeelde grassteppe, Far West-gevoel pur sang.

 's Morgens ga ik op stap met gidse Virginia. Terwijl de zon klimt en de verre toppen van de Andes zich langzaam van hun nevelsluiers ontdoen, bollen we richting Perito Morenogletsjer, het derde grootste zoetwaterreservoir ter wereld, na Antarctica en Groenland. Plots, achter de zoveelste bocht, ontvouwt zich een reusachtige witte massa midden een grijsgrauw landschap. Perito Moreno is de bekendste van de 51 gletsjers van Los Glaciares, Unesco-werelderfgoed en een van de grote publiekstrekkers in Argentinië. Is het misschien omdat, in tegenstelling tot alle andere wegsmeltende gletsjers wereldwijd die geteisterd worden door de opwarming van de aarde, deze jaarlijks nog effectief groter wordt? Omdat dit een der meest beweeglijke ijsmassa’s op aarde is? Of omdat je op weinig andere plaatsen zo dichtbij mag naderen en op zulke lage hoogte kan observeren? We naderen het gevaarte –letterlijk een hoge muur van ijs - van op het water om de imposante voorkant van onderuit te bekijken. Het front van de Perito vormt een wand van zeventig meter hoog, verpletterend ten opzichte van ons cruisebootje dat tuffend van de ene hoek naar de andere cruiset, pakweg vijf kilometer. “De totale oppervlakte van deze gletsjer is te vergelijken met Buenos Aires”, legt Virginia uit. “En toch is wat je nu ziet slechts een heel klein onderdeel van wat we hier Hielo Patagonico noemen, de continentale ijskap die zich over vijfhonderd kilometer uitstrekt, een mantel over de Andes, gedeeld door Chili en Argentinië.  En ook al situeren 47 van 51 gletsjers zich langs Chileense zijde, de Perito aan de Argentijnse kant is dé bekendste.” Hoe meer cijfers, hoe moeilijker te vatten. “Per dag schuift de ijsmassa één tot twee meter verder”, vervolledigt Virginia. “Dit kan waargenomen worden door het gekraak van de over elkaar schuivende ijsbrokken enerzijds, anderzijds breken op regelmatige tijdstippen grote ijsbrokken van de gletsjer af die dan met veel lawaai in het Argentinomeer vallen. Deze gletsjer is trouwens genoemd naar Francisco Moreno, een Argentijnse ontdekkingsreiziger die dit gebied in de 19e eeuw verkende en het uit Chileense handen wist te houden.” 

On the rocks, andermaal 

Na dat boottochtje gisteren kregen we op een wandeling via allerlei panoramische terrassen met machtige uitzichten een duidelijke kijk op de bijrol die de mens in dit landschap speelt. Voor nog meer bevestiging van de nietigheid van de mens in deze overweldigende natuur, neemt Virginia mij vandaag mee voor een uitgebreide boottocht op het Lago Argentino. We schepen in op de Chonek, een catamaran met twee verdiepingen en een afgesloten Captain’s Club, die zich rondom het stuurwiel van kapitein Ricardo bevindt. Vanuit deze bevoorrechte positie –een soort businessclass én met eigen buitenterrasje om foto’s te maken– gaan we met een stevige vaart richting Upsala en Spegazzini: twee andere gletsjers, maar met totaal verschillend profiel en landschap. De eerste, Upsala, doet aan het decor van Antarctica denken. In de monding van de gletsjers drijven ontelbare ijsschotsen in alle maten en kleuren. Met een cool van ik-doe-dit-alle-dagen navigeert Ricardo de boot naar een veilige hoek waar we, de motoren draaiende en per GPS-gestuurde surplace, een tijdje blijven liggen. Uniek! Na de lunch gaat het richting Spegazzini, een soort Perito maar kleiner en met ijs dat van hoger komt. Welk woord past het best bij dit spektakel? Betoverend? Buitengewoon? Adembenemend? Ik houd het op het oordeel van de ober in café Tortoni, hartje Buenos Aires, waar ik de volgende dag op de terugweg tussen de binnenlandse vlucht en de transatlantische naar Europa, nog een koffie drink: “Onwezenlijk.” 

Volg ons op Instagram

Volg @goodbyemag voor leuke tips en bloedmooie vakantie hotspots!

volg ons

Abonneer voordelig!

  • 4 magazines
  • GRATIS levering

abonneer

Deze website maakt gebruik van verschillende type cookies. Hier vind je meer informatie. Akkoord