Born(eo) to be wild!

Scroll naar beneden

Borneo staat vaak in de schaduw van Java, Bali en Lombok. Het eiland geeft niet snel haar geheimen prijs en blijft daardoor vooral een bestemming voor meerwaardezoekers. Het is het eiland van de orang-oetan, zoete koffie en een enorme diverse fauna en flora. Reden genoeg voor een ontdekkingstocht doorheen de jungle van het derde grootste eiland ter wereld. 

  • Gerrit Op de Beeck
    Tekst & foto'sGerrit Op de Beeck

Terwijl kapitein Kingky met de hulp van andere, drukgebarende schippers zich wegmanoeuvreert, braakt de houten, tien meter lange 2Princess een grote, zwarte wolk uit. Hier in Kumai – Zuid-Kalimantan – liggen deze typische woonboten rijen dik en daar is een logische verklaring voor: het is de officiële vertrekplaats voor meerdaagse tochten naar het Tanjung Puting Nationaal Park. Dat staat bekend om zijn orang-oetans (letterlijk: bosbewoners), de slimme mensapen, de kleine koningen van de jungle. Ze in het wild observeren spreekt tot eenieders verbeelding. Indonesië pakt graag uit met zijn populaire schatten: Java, Bali, Lombok… Het zijn grote namen, bekende klassiekers. En dan is er Borneo. Dit eiland is verdeeld tussen Maleisië, het oliestaatje Brunei en Indonesië, dat 73 procent van de totale oppervlakte bezit. Dit is een van de minder bekende regio’s van Indonesië. Niet dat het toerisme hier nog op snelheid moet komen, maar het is eerder beperkt want Borneo is vooral voer voor reizigers die de rest reeds gezien hebben. “Borneo geeft haar geheimen minder snel prijs”, zegt gids Ami daarover, terwijl we de Sekonyer-rivier opvaren met het typische gesputter van een viercilinder op de achtergrond. “Het is een van onze verborgen parels, een bestemming voor ervaren wereldreizigers en meerwaardezoekers.” Terwijl enkele zware wolken zich in de verte samentrekken, spoelen we de hitte en vochtigheid door met een ijskoude cola. “Ik kan jullie spijtig genoeg geen Bintang pils (veruit het populairste bier van Indonesië) aanbieden, de Kotawaringin Barat-regio is alcoholvrij”, legt gids Ami uit. “Een beslissing die de lokale overheid tien jaar geleden nam omwille van het stijgend aantal verkeersongevallen. Ze hebben dan maar de harde middelen ingeschakeld.” Even later weten we waar Borneo nog voor staat: dikke zweetdruppels en een doorweekt hemd. 

Uitgestrekt en onbekend 

Borneo is lang in mysterie gehuld geweest. Eeuwenlang waren de vorm en de afmetingen van het eiland onbekend. Uiteindelijk bleek het het op twee na grootste eiland ter wereld. Goedgelovige Britse kolonialen schreven destijds lugubere verhalen waarin de held gevangen werd gehouden door koppensnellende wilden. Ze publiceerden het proza in vooraanstaande tijdschriften. Hun verhalen waren een mengsel van werkelijkheid en fictie, net als Borneo dat zelf altijd is geweest, en luidens de gids Ami altijd zal blijven. Net voor valavond zijn we gedokt in een brede bocht van de rivier waar we de nacht zullen doorbrengen. Terwijl de meereizende chef kipsaté met pindasaus, witte rijst en mango prepareert, vertelt Ami - landkaart op de schoot - met veel passie over dit uitgestrekt gebied. “Borneo ligt op de evenaar en is bedekt met diep, dicht en donker regenwoud. Het is het grootste eiland van Azië en kende net voor het millennium een enorme bevolkingsgroei: van negen naar zestien miljoen op amper tien jaar tijd. Maar dat cijfer is natuurlijk relatief, want we spreken hier over 745.000 vierkante kilometer.” Hoewel Ami allesbehalve een doemdenker is, staat hij toch even stil bij de recente ontwikkelingen. “Kalimantan (de naam voor het Indonesische deel van Borneo, red.) heeft alles, van olie en gas over goud tot diamanten. Maar vooral onze palmolie is gegeerd (rolt met de ogen). Bovendien worden vele inheemse volkeren bedreigd door ontbossing, misschien wel hét probleem van de regio.”

En dan is het bedtijd. De crew heeft twee dikke matrassen uitgerold en een muskietennet opgehangen. Wanneer wat later alle leds gedoofd worden, horen we alleen nog de jungle, het ruisen van de palmbladeren op het dak van de boot en het zoemen van beestjes groot en klein. Een heldere sterrenhemel fungeert als nachtlampje. 

Bedreigde orang-oetans 

De afspraak was om vroeg te vertrekken. “De zon komt op om vijf, we starten de motor om zes, ontbijt serveren we om halfzeven”, had Ami uitgetekend. “Want ik wil tijdig ter plaatse zijn in Pondok Tangui.” En zo zitten we de volgende ochtend onder een dun wolkendek waarbij de zon overduidelijk onderhuids aanwezig is, pain perdu te eten op het bovendek terwijl enkele neusapen – deze vreemde snuiters vind je enkel op Borneo - en kleinere mutslangoeren ons slingerend in de bomen volgen. Wat een decor! Pondok Tangui is een van de populairste plekken om orang-oetans, die vrolijke, lenige, roodbruine primaten, gade te slaan. Wetende dat twee derde van Borneo bedekt is met pure jungle, kan je hun rol perfect inschatten. Deze neefjes van de chimpansees zijn trouwens de enige primaten die hun nest in een boom maken. Luidens het WWF daalde de populatie sinds 1988 met 1.000 per jaar. Stroperij (een oud zeer in Borneo) en vernietiging van hun leefgebied (vooral het massale boskappen) zijn de belangrijkste redenen. Wie dus vandaag de dag deze tak van onze naaste familie in levenden lijve wil gadeslaan, moet naar een revalidatiecentrum, ook al leven er naar schatting nog 5.000 à 10.000 orang-oetans vrij in de jungle. Tanjung Puting-park, 400.000 hectares groot en onder supervisie van enkele internationale wetenschappers, is met verstand geconcipieerd en de directie waakt erover dat het nooit een 'Jungleland' zal worden. Deze belofte wordt ons allemaal duidelijk wanneer we het terrein opstappen. Niets wijst op overgeorganiseerde bezoeken en de vaste voederplaatsen kan je alleen met een gids bereiken. "Het is een goed initiatief," legt gids Ami uit, "Indonesië besefte reeds in 1971 dat het iets moest doen voor het echt te laat zou zijn. Je kan dan wel het systeem van voederplaatsen bekritiseren, maar ik denk dat elke geïnteresseerde bezoeker zomaar loslaten in de jungle ook geen goed idee is. Nu kan iedereen die het wil deze fantastische dieren gedurende twee uur, op de best mogelijke manier bewonderen.”

Grondlegger van de voederplekken annex opvangcentra is dokter Biruté Galdikas, een Canadese primatologe, natuurberschermster en auteur van vele naslagwerken over deze met uitsterven bedreigde diersoort. Haar deskundig werk bleek essentieel voor het behoud van de orang-oetans.

De ochtend is alvast een voltreffer: vijf dieren komen een kijkje nemen en bananen vergaren. Sommige nemen zelfs even de tijd om te poseren, of zo komt het toch over. ’s Namiddag bezoeken we een tweede plek, Camp Leakey, en ook hier wordt volgens de regels van de kunst gewerkt: met een vast uur, een afgebakend terrein en uitdrukkelijke begeleiding.

Het is vier uur in de namiddag wanneer de kapitein de bootjongen opdracht geeft de touwen los te gooien en we terug stroomafwaarts over de Black River richting Kumai varen. Met een koffie en een half gesmolten mierzoet chocoladekoekje op het voordek laten we ons de geneugten die verbonden zijn aan een trage boot welgevallen. Dajaks (een verzamelnaam voor de locals), die in longhouses op de riveroevers wonen, zwaaien ons toe. Kinderen roepen, kwetterende makaken hoog in de bomen proberen nog luider te gaan. We beseffen dat we nu door het laatste weelderige oerregenwoud op aarde varen, waar de voorbije 20 jaar nog 513 nieuwe planten en dieren ontdekt werden, in hoeken en kanten waar nog nooit één mens voet aan grond had gezet. Klokslag zes uur wordt het bliksemsnel donker en lichten alleen nog vuurvliegjes het tropisch regenwoud op. Maar kapitein Kingky wil nog een uurtje verder varen, dus worden de zoeklichten aangestoken en verzeilen we in een hallucinante sfeer waarbij honderden insecten opdoemen in de harde verstralers. “De dagelijkse krijgsdans”, lacht Ami. 

Grotere stad, kleinere boot  

Na een tweede nacht aan boord, waarbij we alweer gewekt worden door de crew die al zeer vroeg uit de veren is en een opkomende zon die het bovendek goudgeel kleurt, is het tijd om afscheid te nemen. Deel twee van onze reis vangt aan in Banjarmasin, maar dat gaat sneller via de lucht dan over land of water. Het was lang geleden dat we nog in een vliegtuig plaatsnamen waar slechts 15 van de 68 stoelen bezet zijn, en het was nog veel langer geleden dat we 25 minuten vóór het voorziene vertrekuur opstegen. ‘Als iedereen er is, kunnen we meteen door’, moet de piloot van Wings Air vlucht 1807 gedacht hebben. Na een overstap in Semarang op Java, strijken we bij valavond neer in de hoofdstad van Zuid-Kalimantan, een totaal andere wereld. Plots zijn er files, zien we hoogbouw en heeft het geschreeuw van de apen en het gezang van de vogels plaatsgemaakt voor het geclaxonneer van Yamaha’s en Toyota’s. Ook ons hotel is van eenzelfde orde: een torengebouw bovenop een shoppingcenter. Maar die grootstedelijke polsslag zijn we weer helemaal kwijt wanneer we ’s ochtends om vijf uur inschepen aan boord van een longtailboot. Alsof we commando’s zijn op een geheime missie, scheuren we in het twilight van de opkomende zon over de Marta Pura-rivier. We zetten koers naar een traditionele drijvende markt zo’n vijftien kilometer buiten het stadscentrum. Banjarmasin, goed voor een half miljoen inwoners, wordt ook wel eens het Venetië van Zuid-Kalimantan genoemd, of de stad van de duizend rivieren. Daar zit een zekere logica in, want het patroon is uniek. Terwijl de zon heel snel aan kracht wint, slaan we ongegeneerd het leven langs de brede, bruine rivier gade. Na een half uur duikt plots een drukke, kleurrijke verzameling kleine bootjes en kano’s op, hier klotok of jukung genoemd. “Welkom op de pasar terapung”, zegt Muhammad, de gids van de dag. Honderden jaren reeds wordt hier van zes tot pakweg negen in de ochtend handel gedreven. Fruit, groenten, vers geslachte kip of geprepareerde saté, maar ook gasflessen en strohoeden. Daar tussenin enkele drijvende restaurantjes, een souvenirkunstenaar en een thermoskoffiebar. Opmerkelijk is dat 95 procent van de kopers/verkopers vrouwen zijn, net zoals het feit dat iedereen vriendelijk met mekaar omgaat, er veel gelachen en weinig geroepen wordt. Van commerciële aggressie is er absoluut geen sprake. Integendeel. Regelmatig wordt ons zelfs een proevertje aangeboden.

Diamonds are a man’s best friend 

Na een vroege nasi goreng-lunch in de buurt van de grote moskee, zetten we de dagtocht gemotoriseerd verder, ditmaal op vier wielen richting Martapura, bekend voor haar traditionele diamanthandel. “En traditioneel is een understatement”, legt Muhammad onderweg uit. “Sinds 1979 wordt in de Cempaka-mijn zeer rudimentair naar dit luxemineraal gegraven. En toen in 2006 een 3.02-karaat blauwe diamant werd bovengehaald, was het hek van de dam. Vandaag zijn meer dan 500 gelukzoekers hier aan de slag, hopende dat ze op een dag de grootste vangst ooit zullen overtreffen: 166 karaat, een steen zo groot als een duivenei.” Wanneer we Cempaka binnenrijden, worden we overweldigd door het surrealistisch tafereel. Dit zootje een mijn noemen, is zwaar overdreven, en toch is het de grootste van heel Indonesië. We zien alleen kleine, op het eerste gezicht amateuristisch gegraven putten, waar bovenaan met een katrol op bamboe gebonden emmers worden opgehaald. “De werkomstandigheden zijn inderdaad niet echt professioneel”, zegt Muhammad empatisch. “De overheid heeft weliswaar richtlijnen uitgevaardigd, maar daar ligt het gros van deze gelukzoekers niet van wakker.” Zo mogen ze niet dieper graven dan dertien meter omwille van instortingsgevaar en werd hen een maximale werkprestatie van zes uur per dag opgelegd. “Maar het zijn allemaal freelancers die leven van de 20 procent commissie op de vondsten”, zegt Ami. “Dus werken ze maximale uren en worden dagelijks de regels overtreden, want je weet maar nooit…”

Het geheel doet ons denken aan een gelijkaardige site op Oost-Java die we jaren geleden bezochten. Daar sleuren dragers loodzware manden (van 70 tot 100 kilo) versgekapte zwavel vanuit de Kawa Ijen-vulkaan naar de verwerkingsfabriek. Tijdens deze zware klim verdringen ze de giftige dampen door kruidnagelsigaretten te roken. Daar deze dragers betaald worden per kilo, nemen ze steeds zwaardere vrachten en grotere risico’s. De werkomstandigheden zijn slecht, maar er zijn nog altijd meer geïnteresseerden dan vacatures.

Wilde rijstvelden en zoete koffie 

In plaats van rechtstreeks terug af te zakken naar Hasanuddin Airport, stelt Muhammad voor om dat te doen via een wijde boog, doorheen de rijstvelden. “Verwacht geen helgroene terraslandschappen met de finesse van een bonsaiboom zoals in Bali”, zegt hij. “Hier zijn de velden ruwer, en grijs, want klaar om geoogst te worden. Eens de oogst binnen is, brandt men de velden af – vandaar dat je hier overal die witte rookpluimen ziet – en dan begint men opnieuw. Als alles goed gaat, halen we vier oogsten per jaar.” In the middle of nowhere verlaten we de auto en stappen we een eindje de velden in, netjes balancerend op de kleine aarden richels. Een misstap zetten zou geen ernstige gevolgen hebben, maar wel doorweekte slijkschoenen opleveren. Het tafereel van rijstkappende vrouwen (ze gebruiken een klein mesje, de ani-ani genoemd) doet ons denken aan de werkschriften in de lagere school met daarop een boerentafereel van een zaaiende landbouwer. De schriftjes heetten dan ook toepasselijk ‘De Zaaier’: zaaien om te maaien als credo. Die werkschriften bestaan niet meer, maar de bevloeide akkers van Borneo die door buffels geploegd worden en door zongetaande vrouwen op leeftijd geoogst worden, zijn nog steeds brandend actueel. Of zoals de gids het graag samenvat: “Borneo is een jungle met een rijstveld als deurmat.”

Kalimantan

Kalimantan is het Indonesische deel van Borneo en beslaat het centrale en zuidelijke deel van het eiland. De bodem bevat veel ijzer en aluminium en is daardoor ongeschikt voor intensieve landbouw. Bovendien is het eiland dichtbegroeid met tropisch regenwoud. Het eiland kent een zeer diverse bevolking. De oorspronkelijke inwoners staan bekend als de Dajaks, maar maken zelf wel onderscheid tussen verschillende groepen, die elk een eigen taal hebben. Naast deze groepen vindt men er Javanen, Madurezen (vooral door transmigratie) en Chinezen.

Kalimantaan is het debuut van de Amerikaanse schrijfster C.S. Godshalk uit 1998. De roman speelt zich af op Borneo. De Nederlandse vertaling verscheen onder de titel Kalimantan. In het boek geeft Godshalk een geromantiseerd verslag van de expeditie van James Brooke naar Sarawak (Maleisisch Borneo).

In Kalimantan worden er van de 739 in Indonesië gesproken talen nog 83 gepraktiseerd. Met 5 miljoen sprekers is het Bandjarees veruit de meest gesproken taal van het eiland. In Kalimantan zijn ook nog geen talen uitgestorven.

Praktisch 

Goodbye reisde met dé Azië-specialist Asia Tours, onderdeel van Best of Travel. Elke trip wordt er à la carte uitgetekend op jouw maat. Check zeker hun nieuwe website voor inspirerende voorbeeldreizen. Concrete reisplannen? Maak vooraf een afspraak zodat je bij de juiste reisspecialist terecht komt!

www.bestoftravel.be/asiatours

Goodbye reisde met Etihad Airways. Deze luxecarrier biedt uitstekende verbindingen aan naar Jakarta. De aansluitingen met Brussel zijn zeer goed en het inflight-comfort behoort tot het beste ter wereld. Wie wil, kan de reis onderbreken in Abu Dhabi. 

Ter plaatse is er een goed uitgebouwd regionaal netwerk van lokale luchtvaartmaatschappijen die de invlieghaven Jakarta verbinden met verschillende locaties in Borneo.

Indonesisch Borneo kent geen luxehotels zoals Bali of Lombok. Er zijn wél enkele internationaal gerichte middenklasse-adresjes die best oké zijn. Hotel Mercure is een aanbevolen hotel in Banjarmasin. De woonboten zijn meestal uitgerust met een rudimentair toilet en jungledouche. Verwacht geen crew in uniform of wat dan ook: dit is het eenvoudige, maar goede leven. Wij genoten van de bijzonder lekkere keuken aan boord.

Het is in Borneo vijf tot zes uur later dan in Brussel. Het weer is tropisch en vochtig met warme dagen en weinig afkoelende nachten. Beste reistijd: mei tot en met september.

Paspoort is noodzakelijk, geen visum. Het is aangeraden om malariamedicatie te nemen voor wie de jungle intrekt, net zoals de nodige basisinentingen. Lokale munt is de rupiah (1 euro = +/- 15.000 rupiah). Zelf rijden is sterk af te raden, en een wagen mét chauffeur annex gids is geen aderlating. 

Volg ons op Instagram

Volg @goodbyemag voor leuke tips en bloedmooie vakantie hotspots!

volg ons

Abonneer voordelig!

  • 4 magazines
  • GRATIS levering

abonneer

Deze website maakt gebruik van verschillende type cookies. Hier vind je meer informatie. Akkoord