‘De maand mei in Ayemenem is heet en drukkend. Het zijn lange, klamme dagen. De rivier slinkt en in de roerloze, stofgroene bomen schrokken zwarte kraaien van glanzende mango’s. Rode bananen rijpen. Broodvruchten barsten. Indolente bromvliegen zoemen doelloos in de fruitzware lucht. Dan vliegen ze zich buiten westen tegen heldere ruiten en sterven vadsig verdwaasd in de zon.’ (Begin van ‘De God van Kleine Dingen’, Arundhati Roy, 1997, Uitg. Prometheus)
Niets lijkt op het India dat ik ken van vorige reizen, uit de verhalen van duizend-en-één-nacht. Er zijn geen roze paleizen uit Rajasthan, geen Taj Mahals, geen dhaba’s waar men in kleermakerszit knapperig, lichtgeblakerd brood bakt. Het is november en de lange zuidwestmoesson in Kerala is voorbij. De Backwaters voeren het oliebruine water van de voorbije maanden naar zee, met in het zog van oude dhows takken, stronken en ontwortelde boomstammen. De regen heeft het land schaamteloos groen gekleurd: er is het frisse mosgroen van de rijstvelden, het goudgroen van de zongebleekte kokospalmen, de doffe strepen gelig groen licht in de rubberplantages. Elk dorp heeft hoog opgeschoten kerken, in hemelsblauw of zuurtjesroze, met koepels vol mooiweerwolken. Shivatempels zijn nooit ver uit de buurt, met vooraan de lingam, de fiere fallus die symbool staat voor energie, de oerkracht van het mannelijk lid.
We halen de beroemde zonsondergang van Fort Cochin net niet, de schuld van een heilige koe op de brug van Ernakulam. Er hangt een vreemde, rozepaarse gloed over de Arabische Zee. De lucht is zwanger van kruiden. Kardemom, peper, nootmuskaat, garam masala. Muggen voeren hun eerste aanval van de avond uit. In de oude haven halen vissers hun Chinese netten naar beneden.
Cochin is een fascinerende, vibrerende stad, een koloniale, eclectische mix die de sfeer van de grote dagen uitstraalt. Zeetankers schuiven geruisloos door het kanaalgat. Aan de kustlijn, daar waar het Vembanadmeer overgaat in de oceaan, prijken middeleeuwse graan- en kruidenhuizen met Portugese of Hollandse accenten. De Sint-Franciscuskerk is de oudste christelijke kerk van India. Ze werd door de Portugezen gebouwd vlak bij het fort waar Vasco da Gama in 1524 overleed. De zeevaarder werd eerst begraven in de kerk, maar daarna overgebracht naar Lissabon. Geweldig interessant is de kerk niet, behalve dan het ingenieuze verluchtingssysteem, gordijnen die dwars over het schip hangen, aan lange ebbenhouten balken, in een halfvergane stof die op Brugs kant lijkt. Ze worden door lange touwen heen en weer getrokken, zodat ze de bries uit openstaande ramen kunnen vangen. Buiten poseren kekke scholieren in blauw uniform. Ze hebben het schuchtere van kinderen en het pronte van jonge, uitdagende tieners.
In 1663 verjoeg de Verenigde Oost-Indische Compagnie de Portugezen en hernoemde het Mattancherrypaleis in Nederlands Paleis. Ik bekijk er de schitterende collectie palankijnen, wapens en hindoefresco’s. In een belendend zaaltje hangen oude stafkaarten van Cochin met namen als Gelderland en Friesland, symbool van koloniale hoogmoed. Nostalgie in het licht van een klein peertje.
Uit het logboek van Marco Polo weten we dat er al in de middeleeuwen aan de kust van Malabar een gemeenschap van Bne Israe?l (zonen van Israe?l) bestond. Het ging allicht om nazaten van de zeven echtparen die in 175 v.C., na het uiteenvallen van het koninkrijk Israe?l, schipbreuk leden op de kust van Ko?nkan.
De Bne, vertelt een gids op weg naar de synagoge, bestonden uit een blanke en een zwarte bevolking. Gemengde huwelijken waren verboden. De zwarte joden waren meestal huispersoneel. Binnen hun groep namen ze het kastengedrag over dat ze ontleenden aan de hindoesamenleving. In 1663 kwamen de joden in contact met sefardische collega’s, uit Spanje en Portugal. ‘Het waren invloedrijke mensen’, vertelt de inmiddels devoot knielende gids. ‘Zij namen de voorbije eeuwen de criteria van de Indiase samenleving over, met inbegrip van de hie?rarchische structuren. Dat werd hun redding. De joden van Cochin bleven van veel conflicten gespaard.’ Veel heeft het de kleine, joodse gemeenschap niet opgeleverd. Een rabijn is er niet meer en er leven nog exact zeven joodse familie’s in Jew Town, zoals dit deel van Cochin wordt genoemd.
Ik vind het ontroerend en ook een beetje spannend, te weten dat een van de oudste diaspora’s ter wereld afbrokkelt en dat ik daarvan ongewild getuige ben. De synagoge zelf is een verborgen juweel, met achttiende-eeuwse vloertegels van Chinees aardewerk, schitterende kristallen luchters van Val Saint Lambert, geschonken door de Joodse gemeenschap in Belgie?, en een centrale luchter uit Murano. Ik ma?g foto’s nemen, in ruil voor een forse som smartengeld, maar moet beloven ze niet te publiceren.
Zo vredig en tropisch lauw de nacht, zo druk en heet de ochtend. We rijden drie uur door stoffige straten en stegen, door een landschap dat geen rust kent. Duizenden mensen op de been, aftandse, overladen vrachtwagens, karossen, zeboes, Enfield-motoren, een maalstroom die chaos wordt. Alleppey zit verscholen in een oerwoud van rubberplantages. Een dorp dat stad werd zonder dat het daar zelf erg in had. Met woonkernen die als zwamkringen aan een oever van het meer zijn gebouwd.
Het is iets over twaalf, de kinderen komen van school in beige hemd met pofmouwen en bruine kniebroek. Sommigen duwen een fiets vooruit, anderen hangen met hebben en houden aan een bromfiets waarop zich vaak ook nog twee andere passagiers bevinden. Riksja’s snorren langs het Noordkanaal, gevolgd door drenzende bussen in een wolk van roet. Alleppey is de plek waar de beroemde bootwedstrijden worden gehouden, maar toeristen zijn er niet of nauwelijks vandaag.
Ik ben te gast bij Rani John en haar familie. Rani kookt voor kleine groepen, en vertelt intussen over haar project van stadsvernieuwing. Ze houdt poetsploegen aan het werk, zorgt voor huisvuilophaling, ijvert er vooral voor dat de inwoners van Alleppey trots worden op hun stad, tot ze zelf voor het onderhoud ervan willen instaan. We drinken sap op de belvede?re. Binnen lokt nostalgie met vergeelde foto’s, klamboes en een luie schommelstoel op de patio. Een libel trilt door de tuin, als een gifgroen zweefvliegtuig. Kleine jac?anavogels met bronzen vleugels huppen op het gazon.
We lunchen. Er is viscurry, okra, Indiaas brood (naan, paratha), gestoofde kip, puree van pompoen met kokos, stevige pickles en wilde, vlieskleurige rijst, het culinaire symbool van Kerala. Na de middag wandelen we door Alleppey, ik in het lichtste en bleekste linnen dat ik in mijn koffer vind, mevrouw John onder een parasol. We zwaaien naar vrouwen met dikke brillenglazen die achteloos leunen op de teakhouten portiek van hun bontgeschilderde woonst. De Engelsen lieten hun bouwmeesterschap in Kerala, maar dat hebben de Portugezen, Hollanders en Syrisch-Christenen ook gedaan. De bewoners zijn fier op hun huis aan de rivier, met het steile pannendak, donker en bemost door regen en moesson. Deuren worden bewerkt, gevelspitsen ook. Mooie, fraaie en sierlijke figuren uitgehouwen in dat sterke tropische hout.
Mararikulam. We zijn alleen nu. In de verte zweven rode en gele sari’s door een veld met ananas. Verderop wordt rubber gehakt. De melkachtige vloeistof druppelt in een spiraal van de boom en wordt lager in een zwarte mok opgevangen. De chauffeur wijst op tapioca (groen blad met rode nerven), vanille (onherkenbaar) en nootmuskaat (duidelijke geur, ongedroogd, met rode slingers die als tentakels rond de noot zitten).
Het hotel van Vlamingen Jan Arryn en Christel Goemaere staat weg van de straat, aan het eind van een zandweg, “laatste hek links”. Verder weg van de wereld kun je niet komen dan in A Beach Symphony, een verzameling cottages van onberispelijk niveau, een paar hectare genot vol Indiase exotiek en Vlaams gastheerschap. De Arabische Zee ruist er met de kracht van zweepslagen
Je voelt gewoon wanneer een golf zich aan land werpt en zich dan zachtjes slurpend terugtrekt. Jan en Christel hadden een hotel in Spa, maar namen de benen uit de Venen. Op reis in Kerala werden ze verliefd, op de plaats, de sfeer, de mensen, het eten ook. Hoe zou je zelf zijn als bourgondische Vlaming? In de zomer van 2007 renoveerden ze vier bestaande cottages, zorgden voor westerse afwerking, stevige bedden, diep, somptueus beddengoed, de warmte die je van hartelijke en hardwerkende Vlamingen verwacht. A Beach Symphony heeft het gracieuze van Mozart, het uitbundige van Beethoven. Je eet, slaapt, zont, zwemt er als een koning. Voorwaar e?e?n van de meest goddelijke plaatsen op aarde. Dineren op het strand, voeten in het lauwwarme zand. Ratatouille, lam, vers fruit, een puntig gekruide kipsandwich ’s middags.
Enkele jaren geleden kwamen er nog twee dromen bij, op een andere locatie. De Veena Beach Villa en het wonderlijke, majestatische Vismaya, recht aan het meer, met privé zwembad, catering en een luie doezel waaruit je nooit meer wilt ontwaken. ’s Avonds zink ik weg op de massagetafel, in een diepe, bodemloze slaap. Als een God van Kleine Dingen.
Jetairways heeft rechtstreekse vluchten van Brussel naar o.a. Delhi en Mumbai, maar deze komen ’s avonds laat aan en dus moet je een nacht ter plaatse incalculeren en ’s anderdaags een binnenlandse vlucht nemen naar Cochin. Emirates, Etihad en Qatar Airways hebben wel uitstekende aansluitingen via respectievelijk Dubai, Abu Dhabi en Doha. Reken op tarieven vanaf ca. € 600 all-in.
De hotels in Kerala zijn van een onberispelijk niveau. Wij verbleven in Cochin in het Malabar House en aan het Vembanadmeer in Vismaya. A Beach Symphony van Vlamingen Jan en Christel is een prima aanrader aan het strand van Marari.
Voor India heb je een internationaal paspoort en een visum nodig. Door het toenemende succes is er sinds 2009 een nieuwe procedure voor een visumaanvraag van kracht. Dit kan nu ook elektronisch via deze site.
Van november tot en met april. September en oktober hebben vaak nog uitlopers van de moesson.