Het allereerste christelijke land waar oeroude kerkjes en mysterieuze kloosters tot op vandaag intrigerende trekpleisters blijven. Ooit een onmetelijk rijk met een bewogen verleden, getekend door talloze bezettingen, grensverschuivingen en diaspora’s. Gezegend met een weergaloze natuur: kleppers van bergen, hun toppen veelal gehuld in de sneeuw, weidse hoogvlakten en groene valleien. Geen wonder dat het hart van de meerwaardereiziger, op zoek naar authentieke beleving en ontmoeting, in Armenië een paar tellen sneller gaat slaan.
Al van bij de aankomst op de luchthaven van Jerevan, de hoofdstad van Armenië, word ik overweldigd door het spectaculaire uitzicht op een hoge berg bedekt door sneeuw. Op weg naar de stad maakt Ashtik, onze Armeense gids, meteen duidelijk dat dit de Ararat is, de ‘heilige’ berg van de Armeniërs. Op die berg zou volgens het Bijbelverhaal Noach met zijn Ark, toen het water begon te zakken, gestrand zijn. Tot grote ergernis van alle Armeniërs, zo stipt Ashtik fijntjes aan, ligt die spierwitte kanjer met zijn 5.165 m al lang niet meer in haar land, maar in buurland Turkije. En zo trekt ze haar eerste blikje geschiedenis van de week open.
De grens met Turkije is al jaren gesloten en de relaties zijn allesbehalve vriendschappelijk. Voor elke vaderlandslievende Armeniër is de Turkse provincie waarin de Ararat ligt en die ooit tot Armenië behoorde, nog altijd West-Armenië. En dat heeft, zoals meestal, met oorlog en politiek te maken. Nagorno-Karabach, Nachitsjevan, Abchazië, Zuid-Ossetië … Thuis in de luie zetel klinken die namen ver weg en exotisch, maar voor de Armeniërs is dreiging en nakende oorlog dagelijkse realiteit. Ook de zwaar bewaakte grens met buurland Azerbeidzjan is vanwege onopgeloste conflicten over Nagorno-Karabach afgegrendeld; enkel die met de twee andere buurlanden Georgië en Iran is open. Van het ooit zo machtige historische Armenië bleef na onnoemelijk veel bloedvergieten en opdelingen een land over dat ongeveer zo groot is als België en goed drie miljoen inwoners heeft. Dat zowat 10 miljoen Armeniërs hun land moesten ontvluchten of om economische redenen emigreerden – de zogenaamde diaspora – toont meteen aan dat er hier een en ander gebeurd is. Terwijl de Ararat ons van alle kanten bespiedt, rijden we door rommelige voorstadjes met opvallend veel benzinestations, schreeuwerige reclamepanelen en stoffige, braakliggende gronden de hoofdstad binnen. Eerst rijzen nog de enorme woonblokken op, de zogenaamde Chroestsjovka’s, relicten uit de Sovjettijd, maar al vlug rijden we de drukke binnenstad in over brede boulevards met aan weerszijden prachtige gebouwen, luxueuze winkels, sterrenhotels van internationaal bekende ketens, casino’s, parken in het groen en pleinen met vrolijke fonteinen. We worden gedropt aan ons hotel op het Charles Aznavour-plein, genoemd naar de in 2018 overleden artiest van Armeense afkomst die in dit land zowat de heldenstatus heeft. Terwijl ik me op weg naar de stad ergens in het Midden-Oosten waande, is dat gevoel na tien minuten hoofdstad al vlug verdwenen. Ik lijk wel in een of andere moderne Europese metropool beland te zijn. Best verwarrend.
Armenië is een door en door christelijk land. Daardoor beschouwt het zich - omsloten als het is door islamitische landen als Iran, Turkije en Azerbeidzjan - wellicht eerder Europees, en niet Aziatisch. Aan het hoofd van de Armeens-apostolische kerk die de oriëntaals-orthodoxe ritus volgt, staat de ‘katholikos’ (vergelijk met de paus bij de rooms-katholieken) die vanuit zijn thuisbasis Echmiadzin zijn kerk bestuurt. Het christendom heeft in Armenië een erg lange bestaansgeschiedenis. Daarvoor moeten we terug naar het begin van de vierde eeuw. Toen liet de toenmalige koning Tirsides III zich door Gregorius de Verlichter, nu patroonheilige van het land, kerstenen. Bovendien riep hij het christendom tot officiële staatsgodsdienst uit. Zo werd Armenië het eerste christelijke land. Getuige daarvan zijn ook de honderden kerken en kloostercomplexen die her en der verspreid zijn. Vele van hen prijken terecht op de erfgoedlijst van Unesco en behoren tot de grootste toeristische trekpleisters van Armenië. Dat die bouwwerken in een oogverblindend decor gelokaliseerd zijn, is een dubbele troef.
Armeniërs, zo valt meteen op, zijn bijzonder vriendelijk en spraakzaam. Dat je geen snars van die – weliswaar Indo-Europese - taal begrijpt, hoeft geen bezwaar te zijn om, zeker op het platteland, bij de plaatselijke bevolking mee aan tafel te schuiven. Het is een formule die bij reizigers erg populair is. Zo genieten we ergens op een terras, onder de wijnranken, van een heerlijke maaltijd. Die is bekokstoofd door moeder de vrouw die, ondersteund door een forse brigade opgetrommelde familieleden, binnen de kortste keren de lange tafel overvloedig vult met alles wat de plaatselijke keuken te bieden heeft. Starten doen we met een slaatje van sappige tomaten, aubergines, dille, komkommer, olijven, hummus, koriander en kaas waarmee de lavasj, het typische platte brood in de vorm van een pannenkoek, gevuld en opgerold wordt. Alsof dat voorgerecht al niet voldoende is, volgen er grote schotels met vlees. Elders worden we getrakteerd op een smakelijke khorovats, de typisch Armeense barbecue, waarbij lange spiezen van het houtvuur of uit een smalle, heet gestookte put gehengeld worden. Op de Selim-pas houden we halt bij een voormalige karavanserai op de Zijderoute, die eertijds handelaars en dieren rust en onderdak bood. Buiten op een rotsrichel hebben een olijke handelaar en zijn kogelronde eega hun perfect doorgeroeste Russische Volga geparkeerd en een handeltje in souvenirs en bedenkelijke drankjes opgezet. Even verder zit een picknickende familie in het weideland uitbundig te zwaaien. Ze nodigen ons uit op een drink. De vodkaflessen worden doorgegeven. Tegenpruttelen is geen optie. ‘Mee-eten’ zullen we en al vlug worden ons hompen kaas en plakken salami toegeschoven. Gelukkig kunnen wij ook een slok Ararak, Armeense cognac van topkwaliteit, en een stuk taart aanbieden, want volgens onze gids verwacht de gastheer ook altijd een tegenprestatie.
Volgens sommigen is Jerevan een van de oudste hoofdsteden ter wereld, maar daar merk je nauwelijks iets van. Omdat de stad aan de rivier Hrazdan strategisch goed gelegen was als kruispunt tussen oost en west, viel ze nagenoeg haar hele bestaan ten prooi aan wisselende bezetters en veroveraars zoals de Arabieren, Byzantijnen, Ottomanen en Perzen. Ook de Russen lieten zich niet onbetuigd, want vanaf de 18de eeuw lieten de tsaren hun oog op de zuidelijke Kaukasus vallen. In 1918 mocht Jerevan zich uitroepen tot hoofdstad van de 1ste Republiek, maar dat duurde maar tot 1924, toen Armenië een deelrepubliek werd van de immense Sovjet-Unie. Toen in 1991 die Sovjet-Unie onder Gorbatsjov implodeerde werd Armenië, net zoals zovele andere ex-Sovjetrepublieken, voor de tweede keer een zelfstandig, onafhankelijk land en werd hoofdstad Jerevan het politieke, culturele en economische centrum. Hoewel er de laatste decennia verwoed gebouwd en gemoderniseerd wordt, zijn de sporen van de Russische tijd nog onmiskenbaar aanwezig. Dat merk je vooral in het stratenpatroon en in de architectuur van pronkerige regeringsgebouwen. Je ziet het meteen als je op het centraal gelegen Plein van de Republiek staat: een indrukwekkend plein vol rozerode regeringsgebouwen waar brede boulevards in alle richtingen uitwaaieren. Het is er zalig toeven op de vele banken tussen de klaterende fonteinen terwijl de gebouwen door hun gekleurd vulkanische gesteente de koosnaam van Jerevan als ‘de roze stad’ alle eer aandoen. Op zomerse avonden zijn de gebouwen verlicht en dansen de fonteinen op de cadans van vrolijke muziek. De honderden terrasjes van cafés, restaurants en bars zijn drukbezet en in discotempels en clubs wordt een bruisend nachtleven in gang getrapt. Ongenaakbare Instagramgevoelige bellezza’s paraderen op dodelijke stiletto’s langs shops en designwinkels of nippen van een gekoeld drankje terwijl pseudohelden langssjezen in hun glimmende, westerse patserbakken.
Even buiten de stad staat het Genocide-monument ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de volkerenmoord in 1915. Het is een van de zwartste bladzijden uit de Armeense geschiedenis en tot op vandaag onderhevig aan polemieken. Het monument bestaat uit een zuil van 44 m hoogte en twaalf opstaande tegels die de twaalf verloren provincies die nu in Oost-Turkije liggen, symboliseren. In het midden van de platen brandt een eeuwige vlam. We leggen rode anjers neer aan het monument ter nagedachtenis aan de naargelang van de bron 1 tot 1,5 miljoen Armeniërs die in 1915 (en ook later nog) in het Ottomaanse (Turkse) Rijk systematisch vermoord werden. Deze gebeurtenis zit gebeiteld in het collectieve geheugen van het Armeense volk en leidt nog altijd tot grote spanningen met buurland Turkije, dat deze volkerenmoord in alle toonaarden ontkent. In het indrukwekkende museum wordt via een multimediale fototentoonstelling die tragische geschiedenis van afslachting en deportaties naar de Syrische woestijn knap gedocumenteerd.